ECLI:NL:CRVB:2015:3844
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van terugwerkende bijstand op grond van de Wet werk en bijstand
Appellanten vroegen op 8 november 2012 bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag nam deze aanvraag op 10 december 2012 niet in behandeling wegens onvoldoende gegevens, een besluit dat na bezwaar op 8 april 2013 werd gehandhaafd. Dit besluit werd bevestigd door de rechtbank en later door de Centrale Raad van Beroep in een eerdere procedure.
Op 31 januari 2013 meldden appellanten zich opnieuw voor bijstand, welke werd toegekend met ingang van die datum. Een bezwaar tegen de ingangsdatum werd ongegrond verklaard door het college en de rechtbank. In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij reeds ten tijde van de eerste aanvraag in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden en dat zij in dezelfde positie moesten worden gesteld als personen wier eerdere aanvraag wel inhoudelijk was beoordeeld.
De Raad oordeelde dat het vaste rechtspraak is dat bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt toegekend vóór de datum van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Omdat de eerste aanvraag buiten behandeling was gesteld wegens onvoldoende gegevens, was een inhoudelijke beoordeling niet mogelijk. De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die een terugwerkende bijstand rechtvaardigen en bevestigde daarom de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijstand met terugwerkende kracht wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.