ECLI:NL:CRVB:2015:3694
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste toepassing artikel 13 Besluit dagloonregels bij WW-uitkering in aanvulling op WAO
Appellant, sinds 1991 WAO-gerechtigde met een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, werkte vanaf 2003 als magazijnmedewerker met een gekorte WAO-uitkering op grond van artikel 44 van Pro de WAO. Na uitval in 2010 ontving hij een ZW-uitkering en vanaf 2012 een WW-uitkering als aanvulling op zijn WAO-uitkering, berekend op 60% van het WAO-dagloon.
Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van de WW-uitkering, stellende dat artikel 13, tweede lid, van het Besluit dagloonregels onjuist werd toegepast en dat dit in strijd was met het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat hij ongelijk werd behandeld ten opzichte van werknemers zonder arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en verwierp het beroep op schending van het EVRM. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat artikel 13 correct Pro werd toegepast, dat het EVRM geen recht op een uitkering van bepaalde hoogte beschermt en dat appellant geen gelijke gevallen zijn met werknemers die een volledige WW-uitkering ontvangen.
De Raad concludeerde dat het beroep niet slaagt en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van de WW-uitkering op basis van artikel 13 van het Besluit dagloonregels wordt bevestigd.