Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:3688

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 oktober 2015
Publicatiedatum
22 oktober 2015
Zaaknummer
13-5389 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), artikel 19
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering uitbreiding vergoeding huishoudelijke hulp wegens ontbreken medische noodzaak

Appellant, erkend als burger-oorlogsslachtoffer op grond van psychische invaliditeit, verzocht om uitbreiding van de vergoeding voor huishoudelijke hulp van vier naar acht uur per week. Verweerder wees dit verzoek af op basis van medische adviezen die geen medische noodzaak voor uitbreiding constateerden.

De Raad toetste het beleid en de medische adviezen van twee geneeskundige adviseurs, die concludeerden dat appellant ondanks zijn leeftijd en psychische klachten nog in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Er was geen sprake van zelfverwaarlozing of chaotisch gedrag.

Appellant erkende ter zitting dat hij lichte huishoudelijke taken kan uitvoeren, zij het in een aangepast tempo. De Raad vond geen objectieve medische gegevens die aanleiding geven tot uitbreiding van de vergoeding. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de weigering tot uitbreiding van huishoudelijke hulp blijft gehandhaafd.

Uitspraak

13/5389 WUBO
Datum uitspraak: 22 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 september 2013, kenmerk BZ01646939 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door drs. T. Boiten, werkzaam bij de Stichting Pelita. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1940, is bij besluit van 24 januari 2006 op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Aan appellant is met ingang van 1 mei 2005 toegekend de toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wubo, een vergoeding van huishoudelijke hulp tot ten hoogste vier uur per week en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer.
1.2.
In april 2013 heeft appellant verzocht om uitbreiding van de vergoeding voor huishoudelijke hulp naar twee dagdelen (acht uur) huishoudelijke hulp per week. Bij besluit van 20 juni 2013, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder op grond van de aan hem uitgebrachte medische adviezen de aanvraag afgewezen. Naar het oordeel van verweerder is de gevraagde uitbreiding van de huishoudelijke hulp niet medisch noodzakelijk.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
Verweerder hanteert, voor zover hier van belang, het beleid dat aan een persoon van
70 jaar of ouder, zoals appellant, een vergoeding voor twee dagdelen huishoudelijke hulp per week kan worden toegekend indien hij op grond van het totaal van zijn medische beperkingen - zowel causale als niet-causale - niet meer in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Een voorziening voor acht uur huishoudelijke hulp per week kan ook worden toegekend indien sprake is van causale psychische aandoeningen in combinatie met (zelf)verwaarlozing en/of chaotisch gedrag. De Raad heeft dit beleid al meermalen onderschreven (bijvoorbeeld in de uitspraak van 21 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2809).
2.2.
Verweerder heeft de aanvraag van appellant om advies voorgelegd aan zijn geneeskundig adviseur R. Loonstein. Deze arts heeft, mede op basis van gegevens van de huisarts en de orthomanueel arts, geconcludeerd dat er geen medische noodzaak is voor uitbreiding van de al aan appellant toegekende vier uur huishoudelijke hulp. Naar aanleiding van het bezwaarschrift van appellant heeft verweerder advies gevraagd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts A.M. Ohlenschlager. Deze heeft het advies van Loonstein onderschreven. Volgens Ohlenschlager is er geen medische noodzaak voor meer dan het reeds eerder toegekende ene dagdeel huishoudelijke hulp.
2.3.
De Raad ziet geen grond anders te oordelen. Er zijn geen objectieve medische gegevens naar voren gekomen die daartoe aanleiding geven. Niet is gebleken dat er als gevolg van de causale psychische klachten sprake is van zelfverwaarlozing of chaotisch gedrag. Appellant bestrijdt dat ook niet. Hij heeft ter zitting bovendien uitdrukkelijk verklaard dat hij nog in staat is om lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Dat appellant die werkzaamheden alleen in een aangepast tempo kan verrichten doet hieraan niets af. Dat appellant bepaalde huishoudelijke taken niet verricht of niet gewend is te verrichten kan evenmin van invloed zijn. Ook hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd noopt niet tot uitbreiding van de eerder aan hem toegekende huishoudelijke hulp.
2.4.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte standhoudt en dat het beroep van appellant ongegrond moet worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van
M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
22 oktober 2015.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) M.S. Boomhouwer

HD