ECLI:NL:CRVB:2015:3596

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 oktober 2015
Publicatiedatum
20 oktober 2015
Zaaknummer
14/5296 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 WWBArt. 34 WWBArt. 8 WWB
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag op grond van WWB wegens overschrijding bijstandsnorm

Appellante diende op 9 september 2013 een aanvraag in voor een langdurigheidstoeslag op grond van artikel 36 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven wees deze aanvraag af omdat appellante niet voldeed aan de voorwaarde dat zij gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen had dat niet hoger was dan de voor haar geldende bijstandsnorm.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het college ten onrechte was uitgegaan van een lagere bijstandsnorm (€ 1.191,18) in plaats van 110% daarvan (€ 1.310,30), en dat haar persoonlijke situatie onvoldoende was meegewogen.

De Raad oordeelde dat de WWB een bovengrens stelt van 110% van de bijstandsnorm voor het begrip 'laag inkomen', maar dat gemeenten binnen deze grens een eigen norm mogen hanteren. Het college mocht daarom de 100% norm toepassen. Het inkomen van appellante lag met € 1.210,62 boven de gehanteerde norm, waardoor zij niet voldeed aan de inkomensvoorwaarde. Ook waren er geen bijzondere omstandigheden om hiervan af te wijken.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de afwijzing van de aanvraag en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien om de proceskosten toe te wijzen.

Uitkomst: De aanvraag langdurigheidstoeslag wordt afgewezen omdat appellante niet voldeed aan de inkomensvoorwaarde van de WWB.

Uitspraak

14/5296 WWB
Datum uitspraak: 20 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
5 september 2014, 14/1711 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Yeniasci, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Yeniasci. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft op 9 september 2013 een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB) voor het jaar 2013.
1.2.
Bij besluit van 12 september 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 april 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde dat zij gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden over niet meer dan een inkomen op het niveau van de voor haar geldende bijstandsnorm heeft beschikt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat het college bij de beoordeling is uitgegaan van een onjuist normbedrag. De norm voor een alleenstaande ouder inclusief vakantietoeslag bedraagt
€ 1.310,30 en niet € 1.191,18. Op basis van de norm € 1.310,30 komt appellante wel in aanmerking voor langdurigheidstoeslag. Voorts heeft appellante aangevoerd dat het college haar belangen niet op zorgvuldige wijze heeft afgewogen omdat het college bij de beoordeling van de aanvraag niet heeft gekeken naar haar persoonlijke situatie.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WWB verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in
artikel 34 heeft Pro en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. Ingevolge het vijfde lid van dit artikel wordt voor de toepassing van het eerste lid onder laag inkomen niet verstaan in aanmerking te nemen inkomen hoger dan 110% van de op de desbetreffende alleenstaande of gezin van toepassing zijnde bijstandsnorm.
4.2.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels vast met betrekking tot het verlenen van een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van Pro de WWB. De in deze bepaling bedoelde verordening is de Verordening Langdurigheidstoeslag gemeente Eindhoven (Verordening).
4.3.
Artikel 3, eerste lid, onder a, van de Verordening bepaalt dat het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag verleent aan de persoon van 23 jaar of ouder, die gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden voorafgaande aan de aanvraag een inkomen heeft dat niet hoger is dan de voor de aanvrager geldende bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van Pro de wet heeft.
4.4.
Zoals de Raad ook heeft overwogen in de uitspraak van 23 september 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3147) met betrekking tot de afwijzing van de aanvraag van appellante om een langdurigheidstoeslag over het jaar 2012, beperkt het bepaalde in artikel 36, vijfde lid, van de WWB de verordenende bevoegdheid van de gemeenten, in die zin dat een grens is gesteld waarboven in elk geval geen laag inkomen kan worden aangenomen. Het in artikel 36, vijfde lid, van de WWB opgenomen percentage is geen ondergrens, maar een bovengrens. Het college heeft bij de invulling van het begrip ‘laag inkomen’ 100% van de voor appellante geldende bijstandsnorm mogen hanteren. De beroepsgrond dat het college bij de invulling van het begrip ‘laag inkomen’ had moeten uitgaan van een bedrag van € 1.310,30, zijnde 110% van de voor appellante geldende bijstandsnorm, slaagt daarom niet. Het betoog van appellante dat zij is benadeeld omdat gemeenten bij de invulling van dit begrip verschillende maatstaven hanteren, slaagt evenmin. De WWB voorziet in een gedecentraliseerde uitvoering, waarmee de mogelijkheid van verschillende uitvoering per gemeente is gegeven. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel, voor zover appellante dit heeft willen betogen, is dan ook geen sprake.
4.5.
Niet in geschil is dat het inkomen van appellante in de te beoordelen periode € 1.210,62 bedroeg. Dit inkomen was hoger dan de op appellante van toepassing zijnde bijstandsnorm van € 1.191,18. Daarmee staat vast dat appellante niet voldeed aan het vereiste dat zij gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden aangewezen is geweest op een inkomen dat niet hoger is dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Aangezien het inkomen van appellante ruimschoots hoger was dan de toepasselijke bijstandsnorm en dus niet gesproken kan worden van een marginale overschrijding, is in dit geval ook geen sprake van zodanige bijzondere omstandigheden dat het college daarin aanleiding had moeten vinden om in afwijking van de Verordening de gevraagde langdurigheidstoeslag, geheel of een deel daarvan, aan appellante te verstrekken.
4.6.
Uit 4.1. tot en met 4.5. volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2015.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) J.L. Meijer

HD