ECLI:NL:CRVB:2015:355
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.F. Wagner
- G. van Zeben-de Vries
- D.S. de Vries
- Rechtspraak.nl
Bezwaartermijn niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare overschrijding bij AWBZ-besluit
Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het Zorgkantoor waarin een persoonsgebonden budget werd toegekend. Dit bezwaar werd ingediend na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn. Het Zorgkantoor had de termijnoverschrijding aanvankelijk als verschoonbaar beschouwd, maar de rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn zonder verschoonbare reden.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn medische situatie, waaronder bedlegerigheid en volledige afhankelijkheid van verzorging, hem verhinderde tijdig bezwaar te maken. Hij stelde dat het Zorgkantoor op de hoogte was van zijn situatie en daarom de overschrijding had geaccepteerd.
De Raad oordeelde dat uit de medische verklaring niet blijkt dat appellant zodanig gehandicapt was dat hij geen summier bezwaarschrift kon indienen of een derde kon inschakelen. Bovendien had appellant zelf verklaard dat hij in de laatste week van de termijn zijn zus om hulp vroeg. Het onwetend zijn over de mogelijkheid van een pro forma bezwaar kwam voor zijn eigen rekening. De Raad bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het AWBZ-besluit is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.