ECLI:NL:CRVB:2015:3530
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AWBZ-zorgindicatie wegens voorliggende behandeling vanuit Zvw
Appellant met cerebrale parese en spierspanningsklachten vroeg om een AWBZ-indicatie voor persoonlijke verzorging vanwege krampen in zijn been. Na een eerste afwijzing en bezwaar werd tijdelijk een indicatie toegekend, maar later ingetrokken omdat behandeling vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) als voorliggend werd aangemerkt.
De medisch adviseur en het College voor zorgverzekeringen stelden dat de krampen beter behandeld konden worden met psychologische en revalidatiebehandelingen onder de Zvw. Appellant betwistte dit en voerde aan dat eerdere revalidatietrajecten en medicatie geen effect hadden gehad en dat massage noodzakelijk was.
De Raad oordeelde dat de relevante beoordelingsperiode liep tot mei 2013, waarin behandeling vanuit de Zvw nog mogelijk en voorliggend was. Ook nieuw ingediende medische stukken bevestigden dat appellant in die periode een revalidatietraject met psycholoog en fysiotherapeut doorliep. De Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank terecht was en het hoger beroep ongegrond is.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de AWBZ-zorgindicatie wegens voorliggende behandeling vanuit de Zorgverzekeringswet.