ECLI:NL:CRVB:2015:3510
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- M. ter Brugge
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg
Appellante diende op 27 mei 2013 een aanvraag om bijstand in, waarbij zij verklaarde alleenstaand te zijn en een kamer te bewonen op een adres. Uit onderzoek van de Dienst Werk en Inkomen bleek echter dat zij sinds 13 oktober 2009 bij B inwoont zonder eigen kamer en zonder bijdrage in de woonkosten.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat geen sprake was van wederzijdse zorg, maar slechts van een vriendschappelijke relatie.
De Raad oordeelde dat appellante en B hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden en dat er sprake was van wederzijdse zorg, zoals samen boodschappen doen, koken, schoonmaken, wassen en voor elkaar zorgen bij ziekte. De motieven en aard van de relatie zijn niet relevant, alleen objectieve criteria tellen mee.
De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de bijstandsaanvraag en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 oktober 2015.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.