ECLI:NL:CRVB:2015:3465
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging forfaitaire vervoerskostenvoorziening met overgangstermijn en adequaat alternatief
Appellante ontving sinds 1997 een forfaitaire vervoerskostenvergoeding vanwege beperkingen in het gebruik van het openbaar vervoer. Na een heronderzoek besloot het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade per 1 januari 2013 deze vergoeding te beëindigen, met een overgangstermijn van drie maanden, en appellante in aanmerking te brengen voor het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond, stellende dat er geen noodzaak meer bestond voor de forfaitaire vergoeding en dat het CVV een adequaat alternatief vormde. Tevens oordeelde de rechtbank dat de beëindiging niet in strijd was met het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medische advies waarop het college zich baseerde onjuist was en dat zij door het wegvallen van de vergoeding haar auto niet meer kon bekostigen. De Raad concludeerde echter dat het advies zorgvuldig was opgesteld en dat de overgelegde rapporten niet relevant waren voor de periode van beëindiging. Bovendien werd geoordeeld dat het CVV als compensatie in de zin van de Wmo kan worden aangemerkt.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, mede omdat appellante tijdig was geïnformeerd en de vergoeding voor onbepaalde tijd met voorbehoud van heronderzoek was toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de forfaitaire vervoerskostenvergoeding en wijst het hoger beroep af.