ECLI:NL:CRVB:2015:3409
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet tijdig overleggen bankafschriften partner
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) sinds 19 juli 2010. Naar aanleiding van een signaal dat appellant mogelijk bij een bedrijf werkte, verzocht het college hem op 15 november 2013 om diverse gegevens, waaronder bankafschriften van zijn partner, uiterlijk 22 november 2013 te overleggen.
Het college schortte bij besluit van 26 november 2013 de bijstand op wegens het niet tijdig aanleveren van de gevraagde stukken en stelde een uiterste inleverdatum van 11 december 2013. Appellant leverde op die datum wel stukken in, maar niet de bankafschriften. Bij besluit van 12 december 2013 trok het college de bijstand met ingang van 22 november 2013 in. Tevens werd een terugvordering opgelegd voor de periode 22 tot en met 30 november 2013.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep stelt appellant dat hij de bankafschriften wel tijdig heeft ingeleverd, maar dit kon niet worden bewezen. Het college kon terecht aannemen dat de stukken niet waren ingeleverd, mede omdat de stukken worden gescand en geregistreerd, en de bankafschriften niet in het register voorkwamen.
De Raad oordeelt dat de bankafschriften relevant waren voor de bijstandverlening en dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken wegens verwijtbaar verzuim. Het standpunt van appellant dat het college slechts had moeten waarschuwen wordt verworpen omdat hij reeds voldoende was gewaarschuwd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens het niet tijdig overleggen van de bankafschriften van de partner.