ECLI:NL:CRVB:2015:34
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Recht op bijstand zelfstandige wegens noodzakelijk vermogen voor bedrijfsvoering
Appellante exploiteert sinds 2001 een bedrijf en vroeg op 7 augustus 2012 bijstand aan op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college wees deze aanvraag af omdat het aanwezige vermogen niet als noodzakelijk voor de bedrijfsuitoefening werd beschouwd. De rechtbank bevestigde deze afwijzing.
In hoger beroep stelde appellante dat het aanwezige vermogen wel noodzakelijk was voor haar bedrijfsvoering. De Raad constateerde dat het college de levensvatbaarheid van de onderneming ten tijde van de aanvraag niet had onderzocht en dat het vermogen dat in april 2013 werd aangemerkt als noodzakelijk vermogen, ook in augustus 2012 als zodanig moest worden beschouwd. Het standpunt van het college dat de onderneming onvoldoende activiteiten ontwikkelde, werd verworpen omdat appellante aan het urencriterium voldeed.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het eerdere besluit van 20 september 2012 en bepaalde dat appellante vanaf 7 augustus 2012 recht heeft op bijstand. Tevens werd het college veroordeeld in de kosten van appellante en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Appellante heeft vanaf 7 augustus 2012 recht op bijstand omdat het aanwezige vermogen noodzakelijk is voor haar bedrijfsvoering.