ECLI:NL:CRVB:2015:3398
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging bijstand wegens schending inlichtingenplicht over woonadres
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk stelde echter twijfel over het hoofdverblijf van appellant na een verklaring dat hij regelmatig bij zijn (ex-)vriendin verbleef. Een onderzoek door de sociale recherche, inclusief dossieronderzoek, huisbezoek en meterstandcontrole, toonde een extreem laag waterverbruik aan, wat volgens vaste rechtspraak wijst op het ontbreken van feitelijke bewoning.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. Appellant kon het lage waterverbruik niet toereikend verklaren en er werden tijdens het huisbezoek nauwelijks persoonlijke bezittingen aangetroffen. De Raad oordeelde dat de inschrijving in de GBA en contracten niet doorslaggevend zijn voor het woonadres; de feitelijke situatie is bepalend.
De Raad stelde vast dat het college niet hoefde aan te tonen waar appellant dan wel woonde, maar slechts dat hij niet op het opgegeven adres verbleef. Het hoger beroep werd afgewezen en de beëindiging van de bijstand gehandhaafd. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de bijstand wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht over het woonadres.