ECLI:NL:CRVB:2015:3377
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging toeslag WWB voor kamerbewoner vanwege gedeelde woonvoorzieningen
Appellant ontvangt sinds 1992 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met een toeslag van 20% voor alleenstaanden. Hij woont in een kamer waar hij keuken en badkamer deelt met anderen. Het college van burgemeester en wethouders van Heerlen heeft bij besluit van januari 2014 de toeslag verlaagd naar 10%, omdat appellant woonvoorzieningen deelt met anderen, conform de gemeentelijke Toeslagenverordening WWB 2014.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. De rechtbank stelde vast dat appellant een onzelfstandige woonruimte huurt en dat artikel 3, vierde lid, van de verordening van toepassing is. De verlaging van de toeslag per 1 maart 2014 werd als redelijk beoordeeld, mede gezien de aankondiging in het informatiebulletin van december 2013.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij woonkosten niet deelt omdat hij eigen apparaten heeft en dat geen individuele beoordeling heeft plaatsgevonden. Ook stelde hij dat hij door de verlaging niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien. De Raad oordeelt dat het college het besluit zonder huisbezoek kon nemen en dat het feit dat appellant eigen apparaten bezit niet afdoet aan het delen van gas, water en licht in gemeenschappelijke ruimtes.
De Raad stelt vast dat het gewijzigde beleid niet kennelijk onredelijk is en niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig die afwijking van het beleid rechtvaardigen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De toeslag wordt verlaagd naar 10% en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.