ECLI:NL:CRVB:2015:3266
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag AWBZ-zorg wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellant, geboren in 1968, heeft in 2006 een CVA gehad en kampt met rugklachten, incontinentie door prostaatvergroting en psychische klachten. Op 5 februari 2013 vroeg hij indicatie voor AWBZ-zorg aan, waaronder Persoonlijke Verzorging en Begeleiding. Het CIZ wees de aanvraag af omdat medisch adviseurs concludeerden dat de beperkingen niet zodanig waren dat AWBZ-zorg noodzakelijk was, mede omdat behandelingen vanuit de Zorgverzekeringswet voorliggend zijn.
Appellant maakte bezwaar, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard na een nader medisch onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat eerdere indicaties niet automatisch recht geven op een nieuwe indicatie en dat het CIZ mocht vertrouwen op de adviezen van onpartijdige medisch adviseurs. Appellant bracht in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe gronden naar voren.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt dat het CIZ terecht de aanvraag heeft afgewezen. Er is geen medische onderbouwing geleverd die het oordeel dat AWBZ-zorg niet noodzakelijk is, onderbouwt. De Raad wijst ook op eerdere afwijzing van een vergelijkbare aanvraag in 2012. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor AWBZ-zorg wegens onvoldoende medische onderbouwing.