ECLI:NL:CRVB:2015:325
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R.E. Bakker
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken bezwaar tegen WGA-vervolguitkering
Appellant ontving een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 72,77%. Bij besluit van 21 oktober 2011 werd deze omgezet in een WGA-vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage tussen 35 en 80%. Appellant maakte tegen dit besluit geen bezwaar, terwijl de werkgever dat wel deed. Na herbeoordeling werd het percentage vastgesteld op 66,63%.
Appellant stelde in beroep dat zijn arbeidsongeschiktheid minimaal 80% bedraagt en dat hij recht heeft op een IVA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant geen bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 21 oktober 2011. In hoger beroep betoogde appellant dat het bezwaar van de werkgever de mogelijkheid bood om alsnog een IVA-claim in te dienen, en dat de brief van 20 maart 2012 als primair besluit moest worden beschouwd.
De Raad overwoog dat op grond van artikel 6:13 Awb Pro geen beroep kan worden ingesteld door een belanghebbende die geen bezwaar heeft gemaakt, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het beroep af wegens niet-ontvankelijkheid. Een inhoudelijke beoordeling van het geschil vond niet plaats. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit tot toekenning van de WGA-vervolguitkering.