Appellant, werkzaam als veldwerker, viel in 2009 uit vanwege gewrichts- en vermoeidheidsklachten, met een diagnose sarcoïdose en dunne vezel neuropathie. Na diverse medische onderzoeken en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV aanvankelijk dat appellant niet arbeidsongeschikt was, waarna bezwaar en beroep leidde tot een gedeeltelijke toekenning van een WIA-uitkering met een urenbeperking van vijf keer vier uur per week.
De rechtbank stelde echter dat een urenbeperking van drie keer vier uur per week passend was, waarbij zij de revalidatiearts Van Aanholt volgde en de neuroloog Lebbink minder stellig achtte. In hoger beroep betwistte appellant deze conclusie en verwees naar een slaaponderzoek en andere medische stukken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de neuroloog Lebbink, als door de rechtbank benoemde onafhankelijke deskundige, de doorslaggevende waarde toekomt. Lebbink concludeerde dat de urenbeperking van drie keer vier uur per week het meest betrouwbaar is, gebaseerd op eigen onderzoek en medische rapporten. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het UWV-besluit en beval een nieuw besluit met inachtneming van deze conclusie. Tevens werden proceskosten aan appellant toegekend.