Uitspraak
2 juni 2014, 13/5623 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand sinds 1 januari 2013. Op 11 maart 2013 ondertekende zij een verklaring waarin zij instemde met beëindiging van de bijstand per 1 april 2013. Hoewel zij deze verklaring op 2 april 2013 introk, handhaafde het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven de intrekking van de bijstand per 1 april 2013.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij onder druk of door psychische omstandigheden haar wil niet kon bepalen bij het afleggen van de verklaring. Ook het gebruik van Oxazepam bood onvoldoende grond om de verklaring te betwisten. De Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar vaste rechtspraak dat een ondertekende verklaring tegenover een sociaal rechercheur in principe juist wordt geacht.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet in vrijheid had gehandeld en dat haar geen bedenktijd was gegund, maar de Raad oordeelt dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij medisch gezien niet in staat was haar wil te bepalen tijdens het gesprek. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand per 1 april 2013 op basis van de ondertekende verklaring van appellante.