ECLI:NL:CRVB:2015:3095
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- E.E.V. Lenos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Nederlandse meeneembare studiefinanciering voor buitenlandse opleiding bevestigd
Appellante, met Nederlandse nationaliteit en studerend in Turkije, vroeg studiefinanciering aan maar voldeed niet aan het vereiste om minimaal drie van de zes voorafgaande jaren in Nederland te hebben gewoond. Haar vader, eveneens Nederlands, was eerder economisch actief in Nederland, maar appellante kon niet aannemelijk maken dat hij ten tijde van haar studie vanuit Duitsland in Nederland substantieel werkte.
De minister wees de aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat haar vader als migrerend werknemer moest worden aangemerkt en dat het 3-uit-6-vereiste onverenigbaar is met Unierecht, mede op basis van het arrest Martens van het Hof van Justitie.
De Raad concludeert dat appellante onvoldoende bewijs leverde dat haar vader ten tijde van belang economisch actief was in Nederland en dat haar integratiebanden met Nederland onvoldoende zijn. Hoewel het 3-uit-6-vereiste een beperking vormt van het recht op vrij verkeer, is de afwijzing op grond van het Unierecht niet onverenigbaar. De motivering van het bestreden besluit was aanvankelijk onvoldoende, maar in hoger beroep is een toereikende grondslag gegeven. De Raad veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De aanvraag studiefinanciering wordt afgewezen omdat appellante onvoldoende integratiebanden met Nederland heeft en niet voldoet aan het 3-uit-6-vereiste.