ECLI:NL:CRVB:2015:3004
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten
Appellant ontving vanaf 3 januari 2011 een WW-uitkering. Het UWV legde meerdere verlagingen op wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten, oplopend tot een volledige verlaging van 100% voor vier maanden vanaf 15 oktober 2012. Appellant maakte bezwaar tegen deze laatste maatregel, maar het UWV handhaafde het besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging. Hij stelde onder meer dat het UWV onduidelijkheid had gecreëerd door de terugwerkende betaling van de uitkering en betwistte de bevoegdheid van het UWV om de maatregel op te leggen.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende had gesolliciteerd in de relevante periode van 1 juli 2011 tot en met 1 oktober 2012 en dat het UWV terecht een maatregel had opgelegd. Er waren geen omstandigheden die verwijtbaarheid konden verminderen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering met 100% voor vier maanden wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten wordt bevestigd.