ECLI:NL:CRVB:2015:2986
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet-melding vertrek kind naar Indonesië
Appellant ontvangt sinds 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en kreeg een toeslag als alleenstaande ouder omdat zijn zoon bij hem woonde. In 2012 kwam het college via een melding achter het feit dat de zoon sinds 8 maart 2011 in Indonesië verbleef. Appellant had dit niet aan het college gemeld, hoewel hij dit wel had moeten doen. Het college wijzigde de bijstand en vorderde het teveel betaalde bedrag terug.
Appellant voerde aan dat hij de leerplichtambtenaar had geïnformeerd en dat dit voldoende was, en dat zijn medische situatie hem verhinderde om melding te maken. De Raad oordeelde dat de melding aan de leerplichtambtenaar niet gelijk staat aan een melding aan het college en dat appellant zelf verantwoordelijk was voor de kennisgeving. Ook was er geen bewijs dat zijn gezondheid hem verhinderde te melden.
Verder wees de Raad het beroep op de zesmaandenrechtspraak af omdat appellant relevante informatie niet tijdig en correct had verstrekt. Ook waren er geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand blijft gehandhaafd.