ECLI:NL:CRVB:2015:2971
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens niet aannemelijke lening kasstorting
Appellante vroeg bijstand aan als alleenstaande en gaf aan gescheiden te zijn. Op haar bankrekening werd een storting van €1000,- gedaan, waarvan zij stelde dat het een lening betrof voor woningkosten. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag weigerde aanvankelijk bijstand vanwege een gezamenlijke huishouding, maar kende later bijstand toe met een fictief inkomen van €1000,- in oktober 2013, omdat de lening niet aannemelijk was gemaakt.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het nadere besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het bedrag geleend was van een kennis en terugbetaald zou worden. De Raad oordeelde dat kasstortingen in beginsel als inkomen worden beschouwd en dat een lening zonder schriftelijke overeenkomst of terugbetalingsverplichting niet wordt uitgezonderd van het middelenbegrip.
Omdat appellante geen objectieve en verifieerbare gegevens over de lening had overgelegd en de verklaring van de kennis ontbrak, bleef de herkomst van het bedrag onduidelijk. Daarom was het terecht dat het college het bedrag als inkomen aanmerkte en hiermee rekening hield bij de bijstandsverlening.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het bedrag van €1000,- als inkomen moet worden aangemerkt en wijst het hoger beroep af.