ECLI:NL:CRVB:2015:2785
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als bejaardenverzorgster, viel uit wegens lage rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, gebaseerd op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordelingen. De beperkingen werden vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Appellante maakte bezwaar tegen de weigering, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante eveneens ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de medische informatie van behandelaars juist was geïnterpreteerd. De rechtbank vond dat appellante medisch in staat was de geduide functies te vervullen en dat haar talenkennis en computervaardigheden geen belemmering vormden.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar medische beperkingen waren onderschat en dat de FML had moeten worden aangescherpt, met een urenbeperking. Ook stelde zij dat de geduide functies niet passend waren. De Raad oordeelde dat de medische grondslag juist was, dat de door appellante aangevoerde medische informatie onvoldoende objectief was onderbouwd en dat de reumatologische leefregels adequaat waren meegenomen.
De Raad bevestigde dat appellante medisch en arbeidskundig geschikt is voor de geduide functies zonder overschrijding van de belastbaarheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.