ECLI:NL:CRVB:2015:2767
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 2000 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet. De Sociale verzekeringsbank (Svb) ontdekte dat zij vanaf 29 augustus 2007 tot 25 september 2008 met K een gezamenlijke huishouding voerde en trok de uitkering met terugwerkende kracht in vanaf 1 september 2007. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de Svb onvoldoende bewijs had dat zij ook na 25 september 2008 samenwoonden en dat haar verklaring onjuist was weergegeven.
De Raad oordeelde dat de gezamenlijke huishouding gedurende de periode van 25 september 2008 tot 14 maart 2013 moest worden beoordeeld. Uit verklaringen van appellante, een getuige en het dossieronderzoek bleek overtuigend dat appellante en K hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden. De verklaring van appellante was consistent, gedetailleerd en zonder voorbehoud ondertekend, en er was geen reden om aan de juistheid ervan te twijfelen.
De Raad verwierp het verweer dat appellante onder druk had verklaard en stelde vast dat het ontbreken van een proces-verbaal geen afbreuk deed aan de bewijsvoering. Ook de alimentatieprocedure van K bevestigde het samenwonen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarmee het beroep van appellante werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd.