ECLI:NL:CRVB:2015:2735
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beslissing over niet-verlenging functievervulling wegens verstoorde arbeidsverhoudingen bij Brigade CARIB
Appellant, werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee, was geplaatst bij de Brigade Caribisch Gebied in de functie van senior medewerker informatievoorziening. Na diverse functioneringsgesprekken en een P-schouw ontstonden moeizame verhoudingen tussen appellant en zijn leidinggevenden, kapitein D en adjudant-onderofficier B. Appellant verzocht om verlenging van zijn functievervulling, welke mondeling en schriftelijk werd afgewezen.
De minister baseerde de afwijzing mede op kritiek over het functioneren van appellant, met name op de competenties samenwerking en communicatie, en op de verstoorde relatie met leidinggevenden. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat er wel procesbelang was. De Raad stelde vast dat de kritiek op het functioneren onvoldoende onderbouwd was en vooral voortkwam uit de verstoorde verhoudingen. De Raad vond dat de negatieve beoordelingen uit 2012 niet in aanmerking mochten worden genomen. Desondanks was er wel sprake van verstoorde arbeidsverhoudingen, wat een redelijke grond vormde om de functieverlenging niet te verlenen.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de niet-verlenging van zijn functievervulling wordt bevestigd vanwege verstoorde arbeidsverhoudingen.