ECLI:NL:CRVB:2015:2653
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering Wuv-uitkering wegens niet opgegeven lijfrentepolis
Appellante, erkend als vervolgde in de zin van de Wuv, ontving sinds 2000 een periodieke uitkering. In 2013 stelde de Sociale verzekeringsbank de uitkering en inkomstenkorting opnieuw vast, waarbij een teveel van €4964,03 werd geconstateerd. Dit was gebaseerd op het feit dat appellante een lijfrentepolis had afgesloten die niet eerder was meegenomen bij de vermogensvaststelling.
Appellante voerde aan dat zij ervan uitging dat de lijfrentepolis bij Legal & General, gefinancierd met een eerdere polis, al was betrokken bij de vermogensvaststelling in 2000. Tevens stelde zij dat een medewerker van de Sociale verzekeringsbank haar had toegezegd dat deze polis geen invloed zou hebben op haar uitkering.
De Raad oordeelde dat uit de stukken niet blijkt dat de polis ooit was opgegeven of betrokken bij de vermogensvaststelling. Er was geen bewijs van een onvoorwaardelijke toezegging en het telefoongesprek kon niet worden geverifieerd. Daarom kon het besluit tot terugvordering in stand blijven en werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de terugvordering van een teveel ontvangen Wuv-uitkering wordt ongegrond verklaard.