ECLI:NL:CRVB:2015:2629
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.E. Bakker
- J.S. van der Kolk
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van besluit UWV over beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als heftruckchauffeur, viel sinds januari 2008 uit wegens rugproblemen en later psychische klachten. Vanaf januari 2011 ontving hij een WIA-uitkering op basis van 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling door het UWV in december 2012 concludeerde de verzekeringsarts dat appellant benutbare mogelijkheden heeft en stelde het arbeidsongeschiktheidspercentage vast op 6,51%. Op grond hiervan werd per 1 april 2013 de WIA-uitkering beëindigd.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische informatie van de behandelend sector correct was geïnterpreteerd. Ook het feit dat appellant vanaf 1 augustus 2013 weer als volledig arbeidsongeschikt werd aangemerkt, deed hieraan niets af.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank te veel waarde aan het oordeel van de verzekeringsarts had gehecht en te weinig aan dat van de behandelend sector. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de medische grondslag van het besluit. De verzekeringsarts had het onderzoek zorgvuldig uitgevoerd en de beperkingen duidelijk vastgelegd. Nieuwe medische informatie die tot een ander oordeel zou leiden, was niet ingebracht.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd.