ECLI:NL:CRVB:2015:2479
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 7 september 2012
Appellant, met psychische en rugklachten, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat hij per 7 september 2012 geschikt was voor werk en beëindigde zijn ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de functies die het UWV noemde onvoldoende afwisseling boden en dat zijn psychische toestand verslechterd was, onderbouwd met een psychiatrisch rapport van december 2013. Ook stelde hij dat het UWV geen rekening had gehouden met zijn indicatie voor de Wet sociale werkvoorziening (WSW).
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de beperkingen van appellant per 7 september 2012 niet waren toegenomen ten opzichte van eerdere beoordelingen, en dat het rapport in het kader van de WSW geen directe betekenis heeft voor de WIA-uitkering. De latere toename van klachten leidde tot een IVA-uitkering vanaf juni 2015, maar dat is na de datum in geding. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering per 7 september 2012.