ECLI:NL:CRVB:2015:2464
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken toename beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellant, werkzaam als schoonmaker, viel in 2008 uit wegens klachten aan handen en polsen veroorzaakt door M. Quervain. Het UWV stelde in 2010 vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond. In 2013 meldde appellant een verslechtering, maar het UWV concludeerde dat er geen toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak was, wat door de rechtbank werd bevestigd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de beperkingen aan handen en polsen wel waren toegenomen en dat een cervicale aandoening de klachten verklaart. Hij overhandigde medische verklaringen ter onderbouwing. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant geen overtuigend bewijs leverde van toename van beperkingen uit dezelfde oorzaak.
De Raad stelde vast dat de klachten aan schouder en elleboog voortkomen uit een andere ziekteoorzaak dan de eerdere peesaandoening. Appellant weigerde therapie die de diagnose had kunnen objectiveren. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak dat geen recht op WIA-uitkering bestaat.
Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken van toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.