ECLI:NL:CRVB:2015:2407
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg
Appellante ontving sinds 1996 bijstand en woonde aan een uitkeringsadres waar ook O was ingeschreven. Na melding van samenwonen trok het college de bijstand in per 14 maart 2011 vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding. Appellante stelde dat er geen sprake was van wederzijdse zorg, maar slechts een zakelijke huurder-verhuurderrelatie.
De Raad oordeelde dat appellante en O hun hoofdverblijf deelden en dat er sprake was van wederzijdse zorg, onder meer door financiële verstrengeling, gezamenlijke kosten van de Volkswagen Caddy en het gebruik van de woonkamer door O. De argumenten van appellante dat betalingen leningen betroffen en dat O zelf kookte en de was deed, waren onvoldoende om het tegendeel te bewijzen.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarmee de intrekking van de bijstand gehandhaafd bleef. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg wordt bevestigd.