ECLI:NL:CRVB:2015:240
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over weigering vordering vakantiegeld en niet genoten vakantiedagen
Appellant was sinds 1 juni 2000 in dienst bij een werkgever die in maart 2011 failliet werd verklaard. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst vorderde appellant achterstallig loon, vakantiegeld en een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen. Het UWV nam een deel van de loonvordering over, maar weigerde de volledige vordering op vakantiegeld en niet genoten vakantiedagen over te nemen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het UWV hem tekort had gedaan en dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met de toepasselijke CAO-bepalingen en de feitelijke situatie. Het UWV stelde dat appellant de bedragen eerder bij de werkgever had kunnen vorderen en dat de betalingsonmacht pas vanaf het faillissement bestond.
De Raad oordeelde dat het UWV het besluit onzorgvuldig had gemotiveerd en onvoldoende onderzoek had gedaan naar de opgebouwde aanspraken van appellant. De Raad draagt het UWV op binnen zes weken het besluit te herstellen door vast te stellen wat appellant aan vakantiegeld en vergoeding voor niet genoten vakantiedagen heeft opgebouwd, dit af te zetten tegen wat hij al heeft ontvangen, en een onderbouwd standpunt in te nemen. Appellant moet hiervoor benodigde informatie aanleveren.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen en de vordering van appellant op vakantiegeld en niet genoten vakantiedagen opnieuw te beoordelen.