ECLI:NL:CRVB:2015:2348
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- P.W. van Straalen
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens ontbreken gezamenlijke huishouding niet gerechtvaardigd
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder met toeslag en woonde met haar vier minderjarige kinderen op een adres. Het college vermoedde een gezamenlijke huishouding met A, vader van de twee jongste kinderen, en startte een onderzoek. Op basis van dit onderzoek trok het college de bijstand in en vorderde de kosten terug over de periode 1 maart 2012 tot 31 mei 2013.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep gegrond en stelde de intrekking en terugvordering in op 1 juli 2012, omdat onvoldoende bewijs was voor een gezamenlijke huishouding vanaf 1 maart 2012. Appellante ging in hoger beroep tegen het oordeel dat vanaf 1 juli 2012 wel sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De Raad oordeelt dat het college onvoldoende feiten heeft verzameld om aan te tonen dat A zijn hoofdverblijf had bij appellante. Verklaringen over aanwezigheid van A en waarnemingen van voertuigen zijn onvoldoende. Ook het huisbezoek leverde geen bewijs op van gezamenlijke huishouding. Het besluit tot intrekking en terugvordering berust daarom op een onhoudbare grondslag en wordt vernietigd.
De Raad veroordeelt het college in de proceskosten en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.