ECLI:NL:CRVB:2015:2320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding proceskosten bezwaar Wmo-aanvraag hulp bij het huishouden
Appellante vroeg hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), maar het college wees dit aanvankelijk af omdat haar partner de gebruikelijke zorg kon verlenen. Appellante maakte bezwaar en overlegd medische informatie waaruit bleek dat haar partner niet alle huishoudelijke taken kon overnemen. Het college wijzigde daarop het besluit en kende 4,5 uur hulp per week toe, maar weigerde vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische informatie pas in bezwaar was overgelegd en het college bij het oorspronkelijke besluit geen aanleiding had tot nader onderzoek. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het college onrechtmatig had gehandeld door niet zelf onderzoek te verrichten naar de beperkingen van haar partner en dat het telefoongesprek waarop het college zich baseerde onjuist was weergegeven.
De Raad oordeelde dat het college op basis van het telefoongesprek van 19 maart 2013, waarin werd meegedeeld dat de partner geen beperkingen meer had, geen aanleiding had tot verder onderzoek. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake was van aan het college te wijten onrechtmatigheid en dat appellante geen reden gaf om te twijfelen aan de juistheid van het rapport van het telefoongesprek. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van proceskostenvergoeding bevestigd.