ECLI:NL:CRVB:2015:2166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens arbeidsgeschiktheid
Appellant was sinds een hartaanval in mei 2009 arbeidsongeschikt als chauffeur, maar werd in mei 2011 geschikt bevonden voor andere functies. Vanaf die datum ontving hij geen WIA-uitkering meer, waarna hij via de Werkloosheidswet en later de Ziektewet werd uitbetaald. Het UWV stelde op 19 november 2012 vast dat appellant vanaf 12 november 2012 weer arbeidsgeschikt was en beëindigde de ZW-uitkering.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, maar het UWV handhaafde het standpunt na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het onderzoek zorgvuldig was en appellant geen nieuwe medische feiten aanvoerde. In hoger beroep bracht appellant aanvullende medische stukken in, waaronder een rapport van een arts en een brief van een psychiater en psycholoog, die ernstige beperkingen stelden.
De Raad oordeelde dat deze nieuwe informatie betrekking had op een periode na de datum in geding en onvoldoende objectieve medische onderbouwing bevatte om het besluit te wijzigen. Tevens stelde de Raad dat het gebruik van de Functionele Mogelijkhedenlijst door het UWV niet bepalend is voor de vraag of iemand ongeschikt is voor arbeid. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellant niet langer ongeschikt is voor arbeid.