ECLI:NL:CRVB:2015:2152
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.H. Bel
- W.F. Claessens
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onduidelijkheid woonsituatie en niet aangetoonde wijziging omstandigheden
Appellant ontving sinds 2003 bijstand, maar deze werd per 1 september 2011 ingetrokken wegens schending van de inlichtingenplicht en onduidelijkheid over zijn woonsituatie. Na een nieuwe aanvraag in 2012 wees het college de bijstand af omdat appellant tegenstrijdige verklaringen gaf over zijn verblijfadres en daardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant ging in hoger beroep en voerde onder meer aan dat hij wel op het opgegeven adres woonde en dat hij onjuist en onder druk was gehoord. Ook stelde hij dat het college toezeggingen had gedaan dat hij recht zou krijgen op bijstand.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn woonsituatie was gewijzigd ten opzichte van de situatie die tot intrekking leidde. Zijn verklaringen waren onvoldoende onderbouwd en er was geen bewijs dat hij onjuist was gehoord. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen van het college waren gedaan.
Daarmee werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet heeft aangetoond dat zijn woonsituatie is gewijzigd sinds intrekking van eerdere bijstand.