ECLI:NL:CRVB:2015:2035

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 april 2015
Publicatiedatum
24 juni 2015
Zaaknummer
13-2839 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep van appellante tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. De rechtbank had dit besluit eerder bevestigd en het hoger beroep richtte zich op een herhaling van de eerder verworpen gronden.

De Raad oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd door de verzekeringsartsen en dat de functionele beperkingen van appellante juist waren vastgesteld. Er was geen aanwijzing dat relevante aspecten van haar gezondheidstoestand over het hoofd waren gezien of onjuist waren vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst.

Daarnaast werd bevestigd dat appellante in staat moest worden geacht haar maatgevende arbeid uit te voeren, zoals onderbouwd in de rapporten van de arbeidsdeskundigen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd eveneens verworpen, waarbij de Raad de eerdere overwegingen van de rechtbank onderschreef.

Gezien deze overwegingen werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellante geen recht heeft op WIA-uitkering.

Uitspraak

13/2839 WIA
Datum uitspraak: 3 april 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 april 2013, 12/6299 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft W.P.M. Kersten hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2015. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 20 maart 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat met ingang van 25 januari 2012 voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 6 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante verzocht hetgeen in bezwaar en beroep is gesteld als herhaald en ingelast te beschouwen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De hoger beroepsgronden vormen een herhaling van de gronden die appellante in eerste aanleg heeft aangevoerd. Die gronden heeft de rechtbank terecht verworpen.
4.2.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de medische beoordeling zorgvuldig is verricht. Terecht oordeelt de rechtbank dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd hoe zij tot de vaststelling van de beperkingen zijn gekomen. Niet is gebleken dat zij relevante aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist, danwel onjuist in de Functionele Mogelijkhedenlijst hebben vertaald. Er zijn geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per 25 januari 2012. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde belastbaarheid.
4.3.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellante op de datum in geding in staat moest worden geacht om haar maatgevende arbeid uit te voeren. In de rapporten van de arbeidsdeskundige en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is voldoende toegelicht dat de kenmerkende functiebelasting in de maatgevende arbeid de functionele mogelijkheden van appellante niet overschrijdt. Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat, gelet op de motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 3 oktober 2012 en zijn nadere motivering, ingezonden in hoger beroep, in voldoende mate rekening is gehouden met de belastbaarheid van appellante en dat de geduide functies voor haar geschikt zijn.
4.4.
Voorts heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van
14 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7633, met juistheid geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank ten grondslag heeft gelegd aan haar oordeel.
4.5.
Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2015.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) W. de Braal
KvR