Uitspraak
11 december 2013, 13/1978 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar WW-uitkering te beperken tot drie maanden, omdat zij niet voldoet aan de jareneis van artikel 42, tweede lid, aanhef en onder a, van de Werkloosheidswet (WW). Deze eis houdt in dat in ten minste vier van de vijf jaren voorafgaand aan de werkloosheid minimaal 52 dagen loon per jaar moeten zijn genoten.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, waarbij is vastgesteld dat appellante in de jaren 2008 tot en met 2010 niet aan deze eis voldeed, maar wel in aanmerking kwam voor het verzorgingsforfait waardoor deze jaren voor de helft meetellen. Appellante stelde dat het jaar 2010, waarin zij 36 loondagen had, volledig meegeteld moest worden, maar de rechtbank verwierp dit.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad oordeelt dat het jaar 2010 niet volledig maar slechts voor de helft kan meetellen op grond van het verzorgingsforfait, omdat het aantal loondagen onder de 52 ligt. Het UWV is niet bevoegd om hiervan af te wijken. Ook is geen sprake van ongelijke behandeling, aangezien de regeling voor iedereen gelijk geldt.
De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beperking van de WW-uitkeringsduur tot drie maanden wordt bevestigd.