ECLI:NL:CRVB:2015:197
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loondoorbetalingsverplichting bij ambtelijke aanstelling in WIA-uitkering
Werkneemster was werkzaam op basis van een ambtelijke aanstelling als secretaresse bij een vakgroep en viel uit wegens ziekte. Het UWV stelde dat werkgeefster een loondoorbetalingsverplichting had op grond van artikel 7:629 BW Pro, waardoor de IVA-uitkering nihil werd vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat artikel 7:629 BW Pro niet van toepassing was en dat de loondoorbetalingsverplichting moest worden getoetst aan artikel 76a van de Ziektewet. De rechtbank stelde vast dat het dienstverband niet was gewijzigd en dat er geen nieuwe loondoorbetalingsverplichting was ontstaan. Dit oordeel werd bevestigd in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep benadrukte dat de ambtelijke aanstelling ongewijzigd bleef en dat de fluctuaties in werkzaamheden inherent waren aan de functie. De Raad concludeerde dat geen nieuwe bedongen arbeid was ontstaan en dat het bestreden besluit, dat de uitkering op nihil stelde, terecht werd vernietigd. Tevens werd appellant veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen nieuwe loondoorbetalingsverplichting is ontstaan en vernietigt het bestreden besluit.