ECLI:NL:CRVB:2015:1942
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ZW-uitkering wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid
Appellant, werkzaam als medewerker cleanroom op basis van een WSW-indicatie, meldde zich in september 2008 ziek vanwege lichamelijke en psychische klachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid, maar na diverse procedures werd aan appellant een WW-uitkering toegekend.
Appellant verzocht in 2012 om verlenging van zijn uitkering met een ZW-uitkering vanaf januari 2009. Het UWV weigerde deze, stellende dat appellant geschikt was voor zijn maatgevende arbeid. Het bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna appellant in beroep ging bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat appellant ondanks beperkingen in staat was om 20 uur per week als medewerker cleanroom te werken. De medische rapporten, waaronder die van verzekeringsartsen en psychologen, werden meegewogen. De Raad verwierp het argument dat de WSW-indicatie van 2009 en de EMDR-behandeling een andere belastbaarheid aantoonde, mede omdat het toetsingskader van de WSW verschilt van dat van de ZW en de indicatie niet op de relevante datum zag.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de ZW-uitkering omdat appellant geschikt wordt geacht voor zijn maatgevende arbeid.