ECLI:NL:CRVB:2015:1849
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering op grond van juiste maatstaf arbeid en medische beoordeling bevestigd
Appellant was sinds februari 2009 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt als boxmedewerker/karrenbouwer. Na beëindiging van het dienstverband ontving hij een Ziektewetuitkering die het UWV per september 2010 beëindigde. Hiertegen werd bezwaar gemaakt en beroep ingesteld, maar deze werden ongegrond verklaard. Vervolgens ontving appellant opnieuw ZW-uitkeringen die het UWV in december 2011 en februari 2013 beëindigde, waartegen ook bezwaar en beroep volgden.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de beëindigingsbesluiten ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de juiste maatstaf arbeid is gehanteerd en de medische onderzoeken door verzekeringsartsen zorgvuldig en afdoende waren. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV ten onrechte de beperkingen onderschatte en dat nader medisch onderzoek noodzakelijk was, mede omdat de behandelend sector een afwijkend oordeel zou hebben.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de maatstaf arbeid correct is toegepast en dat de medische grondslag van de besluiten voldoende is. Er was geen aanleiding om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten of om een deskundige te benoemen, omdat geen beredeneerd afwijkend medisch oordeel van de behandelend sector was onderbouwd en er geen aanwijzingen waren dat een behandeling de arbeidsmogelijkheden significant zou beïnvloeden.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraken en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering en wijst het hoger beroep af.