ECLI:NL:CRVB:2009:BH0058
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds juni 2004 arbeidsongeschikt is als gevolg van knie-, enkel- en psychische klachten, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering op grond dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, gebaseerd op een medisch onderzoek en functionele mogelijkhedenlijst (FML).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen correct waren vastgesteld. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen onderschat waren en dat nadere informatie bij behandelaars opgevraagd had moeten worden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek, inclusief dossierstudie en informatie van de huisarts, voldoende zorgvuldig was. De Raad vond geen aanwijzingen dat de beperkingen waren onderschat en bevestigde dat de verzekeringsarts in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel. Rapporten van het Instituut Psychosofia konden niet de door appellant gewenste betekenis krijgen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.