ECLI:NL:CRVB:2015:1779
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij WIA-uitkering
Appellante was laatstelijk werkzaam als jongerenbegeleidster en meldde zich ziek vanwege psychische klachten. Het UWV stelde aanvankelijk vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna zij bezwaar maakte. Het bezwaar werd gegrond verklaard en vastgesteld dat zij recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering (LGU) met een arbeidsongeschiktheid van 35,9%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat haar psychische klachten waren onderschat. Het UWV verwees naar een later besluit waarin appellante per einde LGU een WGA-loonaanvullingsuitkering (LAU) werd toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep geen procesbelang heeft omdat appellante met het aanvechten van de mate van arbeidsongeschiktheid tijdens de LGU-periode geen gunstiger resultaat kan verkrijgen dan reeds toegekend. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.