ECLI:NL:CRVB:2015:1707
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden
Appellante ontving sinds juni 2010 bijstand op grond van de WWB. Na een anonieme melding dat zij werkte in een bakkerij, stelde het college een onderzoek in. Uit waarnemingen bleek dat appellante op meerdere dagen achter de toonbank stond en klanten hielp. Appellante verklaarde dat zij onbetaald werkte, slechts enkele uren per dag, en dit als vriendendienst zag.
Het college trok de bijstand in over de periode oktober 2011 tot april 2012 en vorderde de kosten terug wegens het verrichten van niet gemelde werkzaamheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat het om een vriendendienst ging en dat zij niet betaald werd.
De Raad oordeelde dat gezien de aard, omvang en het terugkerende karakter van de werkzaamheden sprake was van op geld waardeerbare arbeid, ook zonder reguliere beloning. Door het niet melden van deze werkzaamheden heeft appellante de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Appellante kon haar stellingen niet aannemelijk maken. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.