ECLI:NL:CRVB:2015:163
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onduidelijkheid feitelijk verblijf op opgegeven adres
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de WWB en gaf als woonadres een woning in [woonplaats] op waar zij sinds 29 maart 2012 stond ingeschreven. Het dagelijks bestuur twijfelde echter aan haar feitelijke verblijf aldaar en startte een onderzoek, waaronder meerdere huisbezoeken die niet succesvol waren.
Uit het onderzoek, inclusief een huisbezoek door sociale recherche, bleek dat de woning geen bewoonde indruk maakte en dat appellante haar spullen geleidelijk verhuisde. Ook leverde zij geen volledige openheid over haar verblijfssituatie. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing van de bijstand ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende duidelijkheid had verschaft over haar feitelijke verblijf in de relevante periode en daarmee haar inlichtingenverplichting had geschonden. Het hoger beroep werd afgewezen en de afwijzing van de bijstand gehandhaafd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag is afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van feitelijk verblijf op het opgegeven adres.