ECLI:NL:CRVB:2015:1541
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onduidelijkheid woon- en verblijfplaats
Appellante ontving vanaf oktober 2009 inkomensvoorziening en bijzondere bijstand, waarbij zij verschillende adressen opgaf als woonplaats. Na een onderzoek door de gemeente bleek dat appellante niet op de opgegeven adressen woonde gedurende meerdere periodes, wat leidde tot intrekking en terugvordering van de bijstand.
De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende duidelijkheid was over de feitelijke woon- en verblijfplaats van appellante, waardoor het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld. Het college heeft daarop het bezwaar tegen de intrekking ongegrond verklaard, met uitzondering van enkele correcties na tussenuitspraak.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij wel op de opgegeven adressen woonde, maar dit is niet aannemelijk gebleken. De Raad bevestigt dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat de intrekking en terugvordering van de bijstand terecht zijn. De bijzondere bijstand voor woninginrichting is ongedaan gemaakt, maar de intrekking van de kinderopvangbijstand blijft gehandhaafd.
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens onduidelijkheid over woon- en verblijfplaats.