ECLI:NL:CRVB:2015:153
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid heimelijke waarnemingen bij intrekking en terugvordering bijstand
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en werkte vanaf november 2008 enkele uren per week bij een snackbar. In het kader van een project tegen zwart werk werd zij heimelijk vanaf de openbare weg geobserveerd, waarbij bleek dat zij meer uren werkte dan opgegeven. Het college trok de bijstand over de betreffende periode in en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en beperkte de terugvordering, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college terecht heimelijke waarnemingen als controlemiddel inzette, omdat geen minder belastend middel beschikbaar was. De waarnemingen vonden plaats over een beperkte periode en duurden relatief kort, waardoor de inbreuk op het privéleven proportioneel was.
Appellante voerde aan dat het college eerst de werkgever had moeten raadplegen en dat de waarnemingen in strijd waren met artikel 8 EVRM Pro. De Raad verwierp deze bezwaren en stelde dat de schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond vormt voor intrekking van bijstand. Het beroep op eerdere jurisprudentie over aanwezigheid buiten werktijd faalde, evenals het verzoek om schadevergoeding.
Ten slotte oordeelde de Raad dat het college onrechtmatig had gehandeld door appellante niet in de kosten van bezwaar te veroordelen, en veroordeelde het college tot vergoeding van in totaal € 2.205,- aan proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep werd verder afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen, het college mag heimelijke waarnemingen inzetten en wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.