ECLI:NL:CRVB:2015:1456
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering wegens vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante ontvangt sinds 1987 met onderbrekingen een WAO-uitkering, die in 2007 is herzien met ingang van 26 december 2006 naar een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. In 2012 meldt zij een verslechtering van haar gezondheid met klachten aan nek, arm, rug, schouders en psychische klachten. Het UWV wijst haar verzoek tot herziening af op grond van artikel 39a van de WAO, omdat er geen toegenomen beperkingen zijn vastgesteld binnen vijf jaar na de herziening.
De rechtbank verklaart het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voert appellante aan dat haar klachten al langer dan een jaar aanwezig waren en dat de vijfjaartermijn moet worden gerekend vanaf het herzieningsbesluit van 2007. Zij stelt dat haar beperkingen door verschillende aandoeningen groter zijn dan door het UWV aangenomen.
De Raad overweegt dat de termijn van vijf jaar begint te lopen vanaf de datum waarop de WAO-uitkering is herzien, niet het besluit zelf. Uit medisch onderzoek blijkt geen toename van beperkingen in de periode 2006-2011. De klachten van osteoporose, fibromyalgie en hypothyreoïdie leiden niet tot andere beperkingen dan eerder aangenomen. Voor vermeende toename na 2011 dient appellante een verzoek in te dienen op grond van artikel 37 van Pro de WAO met een wachttijd van 104 weken.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de WAO-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na herziening.