ECLI:NL:CRVB:2015:1435
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellant ontving sinds april 2012 bijstand als alleenstaande en gebruikte vanaf september 2012 een briefadres van de gemeente Amsterdam. Na een onderzoek door de Dienst Werk en Inkomen (DWI) naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij onder meer 7-dagenformulieren en verklaringen werden verzameld, concludeerde het college dat appellant vanaf 3 november 2012 een gezamenlijke huishouding voerde met T op diens adres. Appellant had dit niet gemeld, wat een schending van de inlichtingenverplichting vormt.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de verklaringen en ingevulde formulieren voldoende bewijs vormden voor de gezamenlijke huishouding. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij slechts een slaapbankcontract had en feitelijk dakloos was, waardoor hij onder een bijzondere doelgroep viel.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de gronden van appellant in hoger beroep een herhaling waren van eerdere standpunten en dat de rechtbank gemotiveerd had geoordeeld dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De Raad vond geen steun voor de stelling van dakloosheid in de onderzoeksbevindingen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De intrekking van de bijstand blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding wordt bevestigd.