ECLI:NL:CRVB:2015:1434

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2015
Publicatiedatum
7 mei 2015
Zaaknummer
13-5249 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbWet werk en bijstand
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand wegens voldoende middelen op bankrekening

Appellante diende op 22 juni 2012 een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor inrichtingskosten, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam werd afgewezen op 11 juli 2012. Het college baseerde zich op bankafschriften waaruit bleek dat appellante op 22 mei 2012 € 2.000,- had overgeboekt van haar spaarrekening naar haar betaalrekening en op 23 mei 2012 € 4.000,- contant had opgenomen, bedragen waarover zij vrijelijk kon beschikken.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet kon beschikken over het tegoed op haar bankrekening, maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken met objectieve en verifieerbare gegevens. De verklaringen van een derde, zowel in bezwaar als in hoger beroep, werden onvoldoende geacht omdat zij ongedateerd of achteraf opgesteld waren en niet konden aantonen dat appellante niet over het geld kon beschikken.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd op 7 mei 2015 in het openbaar gedaan.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand wordt bevestigd omdat appellante voldoende middelen op haar bankrekening had.

Uitspraak

13/5249 WWB
Datum uitspraak: 7 mei 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
15 augustus 2013, 12/5195 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.R.A.R. Sitaldin, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2015. Namens appellante is verschenen mr. Sitaldin. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft op 22 juni 2012 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), voor zover hier van belang, voor inrichtingskosten.
1.2.
Bij besluit van 11 juli 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 september 2012 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante voldoende middelen heeft om de gevraagde kosten zelf te betalen. Uit de door appellante overgelegde bankafschriften is gebleken dat zij op 22 mei 2012 een bedrag van € 2.000,- van haar spaarrekening heeft overgeboekt naar haar betaalrekening en dat zij op 23 mei 2012 een bedrag van € 4.000,- van haar betaalrekening heeft gepind. Appellante kon hierover vrijelijk beschikken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat zij, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel voldoende heeft aangetoond dat zij niet kon beschikken over het tegoed op haar bankrekening.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil of appellante beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over voldoende middelen, in de vorm van het tegoed op haar bankrekening, om de kosten, waarvoor zij bijzondere bijstand heeft aangevraagd, zelf te voldoen.
4.2.
Vast staat dat appellante op 22 mei 2012 een bedrag van € 2.000,- van haar spaarrekening heeft overgeboekt naar haar betaalrekening en dat zij op 23 mei 2012 een bedrag van
€ 4.000,- contant heeft opgenomen.
4.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat zij redelijkerwijs niet over het (volledige) tegoed op haar bankrekening kon beschikken. De door appellante in bezwaar overgelegde, ongedateerde en achteraf opgestelde verklaring van [naam] (P), inhoudende dat zij appellante heeft verzocht geld op haar bankrekening te mogen storten en op
23 mei 2012 een bedrag van € 4.000,- in contanten van appellante heeft ontvangen, is hiertoe onvoldoende. Evenmin heeft appellante met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij niet kon beschikken over het door haar op 23 mei 2012 opgenomen bedrag van € 4.000,-. Dat appellante in hoger beroep een nieuwe, gelijkluidende, verklaring van P heeft overgelegd, die wel is voorzien van een datum, te weten 21 oktober 2013, doet aan het voorgaande niet af.
4.4.
Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4.5.
Omdat het hoger beroep niet slaagt, volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en W.H. Bel en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2015.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD