ECLI:NL:CRVB:2015:1418
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering tegemoetkoming TOG wegens uitwonend verblijf zoon
Appellante ontving een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG) voor haar zoon. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde bij besluiten vast dat appellante over de periode van het tweede kwartaal 2007 tot en met het derde kwartaal 2011 geen recht had op deze tegemoetkoming omdat haar zoon minder dan vier nachten per week bij haar verbleef, waardoor hij niet tot haar huishouden werd gerekend. De Svb vorderde het bedrag van € 3.774,30 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en in hoger beroep handhaaft de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. Appellante stelde dat haar zoon gemiddeld wel vier nachten per week bij haar verbleef, mede door weekenden, vakanties en vrije dagen, en dat er dringende redenen waren om terugvordering te voorkomen. De Raad oordeelde echter dat het verblijf van de zoon in een instelling van maandag tot en met vrijdag leidde tot de kwalificatie uitwonend zijn, conform het beleid van de Svb en eerdere jurisprudentie.
De Raad overwoog dat het beleid van de Svb omtrent terugvordering met terugwerkende kracht een buitenwettelijk begunstigend beleid is dat terughoudend wordt getoetst. De Svb had dit beleid consistent toegepast. Appellante had redelijkerwijs moeten begrijpen dat haar zoon niet thuiswonend was en dat er geen recht op TOG bestond. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een volledige terugvordering kennelijk onredelijk maakten. Het beroep op betalingsonmacht werd aan de Svb gelaten. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht had op de tegemoetkoming TOG en wijst het hoger beroep af.