ECLI:NL:CRVB:2015:1326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking persoonsgebonden budget wegens niet-naleving verplichtingen
Appellante ontving een persoonsgebonden budget (pgb) van het Zorgkantoor voor geïndiceerde zorg in 2010 en 2011. Na een landelijk onderzoek naar misbruik van pgb’s werd de betaling opgeschort en volgde nader onderzoek. Hierbij bleek dat zorgverleners kosten in rekening brachten terwijl appellante in het ziekenhuis verbleef of de zorgverleners in het buitenland waren, waardoor onduidelijk bleef wie daadwerkelijk zorg verleende.
Het Zorgkantoor trok het pgb in en vorderde het onverschuldigd betaalde bedrag terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij onvoldoende opheldering gaf en vasthield aan verklaringen die niet duidelijk maakten wie zorg verleende. Appellante stelde in hoger beroep dat zij niet gehouden kon worden aan haar verklaring en dat een tolk had moeten worden ingeschakeld.
De Raad oordeelde dat appellante haar dochter als tolk had meegenomen en vooraf op de hoogte was gesteld van het gespreksonderwerp. De Raad vond dat het Zorgkantoor terecht gebruik heeft gemaakt van haar discretionaire bevoegdheid tot intrekking en terugvordering, waarbij het belang van handhaving van verplichtingen zwaarder woog dan het belang van appellante. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van het persoonsgebonden budget en de terugvordering worden bevestigd.