Uitspraak
Nationale regelgeving
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft een ambtenaar die sinds 1980 bij de politie werkte en ten onrechte werd ontslagen in 2007, waarna het ontslag in 2009 werd herroepen. De ambtenaar vordert vergoeding voor niet genoten vakantiedagen over de periode van het onterecht ontslag tot het definitieve ontslag in 2010.
De korpschef weigerde aanvankelijk deze vergoeding, stellende dat over de periode zonder feitelijke dienst geen vakantiedagen opgebouwd konden worden volgens nationale regelgeving (Barp). De rechtbank oordeelde echter dat de ambtenaar geacht moet worden doorlopend in dienst te zijn geweest en dat de nationale vervalregeling niet van toepassing is, waardoor recht op uitbetaling van niet genoten vakantiedagen bestaat.
De Centrale Raad van Beroep legt in hoger beroep prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie van de EU over de uitleg van artikel 7 van Pro Richtlijn 2003/88/EG: of nationale bepalingen die het opbouwen van vakantiedagen tijdens een periode van onterecht ontslag uitsluiten verenigbaar zijn met de richtlijn, en of een vervalregeling voor niet genoten vakantiedagen aan het einde van het jaar daarmee strookt.
De Raad benadrukt dat de richtlijn ook voor ambtenaren geldt en dat het recht op vakantie twee doelen dient: herstel en vrije tijd. De zaak is complex omdat de ambtenaar feitelijk niet werkte in de periode, maar juridisch wel in dienst was. De Raad vraagt het Hof om duidelijkheid over deze problematiek en houdt de verdere behandeling aan tot het Hof uitspraak doet.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie EU en houdt de zaak aan tot uitspraak.